Toen we nog in Nederland woonden had ik een bucketlist. Niet zozeer van de dingen die ik wilde doen als wel van de bestemmingen waar ik nog heen wilde. Dat varieerde van de Niagara Falls in Canada, via Vlieland naar de piramiden in Egypte. Regelmatig kon ik ook dingen afstrepen. We gingen met de kinderen op vakantie naar Bali en Zuid-Afrika, ruilden van huis met een gezin in Vancouver, ik ging met mijn vader op cruise rond Kaap Hoorn in Zuid-Amerika en met vriendinnen naar Wyoming, het Wilde Westen. Niets te klagen had ik. 

 

Sinds we in Frankrijk wonen heb ik nauwelijks reis wensen. Dat komt niet alleen door Corona. Het komt vooral doordat ik het thuis zo leuk vind. Ik moet er niet aan denken dat ik hier drie weken weg moet met een vliegtuig naar de andere kant van de wereld in een heel andere cultuur. Maar de bucketlist is wel weer keihard aan het groeien. De Niagara Falls zijn er af gevallen. Sinds ik foto’s heb gezien van de watervallen vanuit een andere hoek met allemaal hoogbouw hotels aan de rand van het natuurschoon hoef ik niet meer zo nodig. Idem met de piramides in Egypte, die liggen helemaal niet middenin de woestijn, zoals ik altijd dacht, maar pal naast Caïro. Waar de lijst nu op gebaseerd is zijn de mooie bestemmingen die we vanaf huis per auto in een paar uur kunnen bereiken. En dat is nogal wat, want eigenlijk ken ik Frankrijk helemaal niet zo goed. 

 

In mijn vroege jeugd scheurden we altijd over de Autoroute du Soleil zo snel mogelijk richting Spanje. Later wilde ik nog wel eens met vriend en tentje door Frankrijk trekken. Maar dit land is zo groot en er zijn zoveel verschillende landschappen, en laten die nu allemaal behoorlijk binnen handbereik liggen. In noordelijke richting ligt het centraal massief met een landschap van gedoofde vulkanen. Daar zijn skimogelijkheden zonder al teveel drukte in de winter. In het zuiden, op drie uurtjes rijden, liggen de Pyreneeën, de stad Toulouse en Carcassonne. In westelijke richting staat de stad Bordeaux op mijn lijstje, wat de Fransen “klein Parijs” schijnen te noemen. Het zuid-oosten lonkt met Montpellier, de Côte d’Azur en de lavendelvelden van de Provence. En iets dichterbij het natuurpark de Cevennen. De grens naar Spanje over bij Biarritz voor een bezoek aan San Sebastian, het is te doen in 5 uur. Of de andere kant op naar Barcelona, Gerona en de Costa Brava. 

 

En dan heb ik het alleen nog over bekende bestemmingen. De kleine pareltjes vind ik vooral op Instagram en van tips van onze gasten. Salle-la-Source bijvoorbeeld, op 1,5 uur rijden, een dorp in de Aveyron, waar middenin een enorme waterval naar beneden komt denderen. We waren er de laatste dag van het jaar, toen het net een paar dagen keihard geregend had, maar de zon weer tevoorschijn was gekomen en ons trakteerde op 19 graden. De ideale dag voor een bezoek aan een waterval. Collonge-la-Rouge is ook zo’n pareltje, in het noorden van de Lot. Alle huizen zijn er opgetrokken uit rode bakstenen, heel anders dan in de rest van de regio. In de buurt van Perpignan zagen we een bijzonder landschap waar erosie zijn werk deed. Rotsformaties die als orgelpijpen uit de grond staken: Les orgues d’Ille-sur-Têt. Daar in de omgeving was ook een mooie wandeling naar een klooster door een kloof: de Gorges de Galamus. Als ik wandelingen door een kloof wil maken moet ik volgens Google nog naar de Gorges du Verdon, de Gorge du Tarn, en verschillende spectaculaire mogelijkheden in de Pyreneeën. Hup, op de lijst. En van daaruit naar AirBnB. Een appartementje in het centrum van Bordeaux, een gîte aan de kust bij Saint Tropez of een ‘mazet’ in de Provence. Uren voorpret heb ik er al aan gehad. En aangezien we hier in voor- en naseizoen volkomen vrij zijn om te gaan en staan waar we willen voelt dit nog luxer dan welke verre reis dan ook. 

 

graag delen!