Ken jij die Nederlanders met die grot in de tuin? Dat zijn wij! Het is dan wel in Frankrijk en ietsje buiten de tuin, maar er is hier ooit een stuk van het kalksteen plateau ingestort, keurig rond, en in die kuil kun je afdalen. Zeker 20 meter diep. En onderaan de rotswand is een ingang naar een heuse grot. Je moet er op je rug liggend in kruipen, wat ik never ever ga doen, maar de jongens zijn er helemaal in geweest. Met een buurman met een zaklamp. Dit soort diepe kuilen komen hier wel vaker voor. “Igues” noemen ze het. De beroemdste is de Gouffre de Padirac. Dat heet dan weer een Gouffre omdat er een rivier doorheen stroomt. Een enorme toeristische trekpleister natuurlijk, met liften en bootjes en een winkel, maar het is toch echt heel bijzonder. 

Zo wandelden we eens langs de Gouffre de Lantouy, ook al zo’n krater van 40 meter diep, maar in een meertje, dus je ziet het niet direct. Het valt vooral op omdat het water tropisch blauw is én ijskoud, ook middenin de zomer. Er waren alleen een paar locals die spontaan gingen applaudisseren toen één van onze zoons er in dook. Een echte Fransman houdt niet van koud water. Een eind de andere kant op is de Igue de Crégols. Een hele grote verzakking, en als je niet oppast loop je er zo in, want hier geen Amerikaanse toestanden met waarschuwingsborden en enorme veiligheidsconstructies. Ze hebben er gewoon een lintje gespannen dat weleens aan vervanging toe is. Geen toerist te bekennen. Kraters in de grond, gangenstelsels in een rotswand, bronnen die zo uit een muur komen borrelen, watervallen, een bos waar alle bomen met mos bedenkt zijn, het is onwaarschijnlijk mooi. En dat alles is te bewonderen in totale stilte. Dat is nog het aller fijnst hier. 

Ik weet niet of het komt omdat ik ouder word of door die verdraaide algoritmes, maar ik lees steeds meer over de helende werking van wandelen in de natuur. Dat het niet alleen fysiek goed voor je is, maar dat je er ook mentaal enorm van opknapt. Wandelen is zelfs een beetje hip aan het worden. Nu heb ik het nooit vervelend gevonden, maar sinds wij een hond hebben, nu 7 jaar, loop ik veel en graag. En nu wonen we in een land waar je eindeloos door kunt blijven wandelen en de meest merkwaardige natuurverschijnselen tegenkomt, en dat is toch zo heerlijk. 

Qua natuur is het in de Randstad toch erg beperkt. Een park, een plukje bos, een stuk hei waar je hooguit zigzaggend een uur of twee kunt stukslaan en dan heb je het wel gehad. En dan moet je niet op een zonnige zondag gaan want dan zijn die stukken zo overbevolkt dat je net zo goed door de Kalverstraat kunt lopen. We wilden een keer op zo’n mooie vrije dag naar een ander heidegebied dan we gewend waren. Naar Laren in plaats van Hilversum. Hebben we eerste een half uur naar een parkeerplaats moeten zoeken om vervolgens achteraan te sluiten in de slinger van wandelaars, met kinderwagens en al. 

Het was voor mij een reden om uit Nederland weg te willen. Meer natuur, meer ruimte, minder mensen. Nou dat is gelukt. We kunnen vanaf de voordeur door de bossen en landerijen lopen zonder een mens tegen te komen. Een Petite Randonnée noemen de Fransen dat, en zo’n “kleine wandeling” kan zomaar een dag in beslag nemen, plus een paar honderd meter hoogteverschil, daar draaien ze hier hun hand niet voor om. Zo ver zijn wij nog niet, maar dat komt vast! Hou mij een lokkertje voor, zoals een waterval, een grot, een mooi dorp of een weids uitzicht en ik loop! 

Foto: Igue de Crégols, credits Tourisme Lot

graag delen!