Jammer dat er Fransen wonen

Jammer dat er Fransen wonen

Frankrijk? Prachtig land hoor, alleen jammer dat er Fransen wonen. Die uitspraak heb ik best vaak gehoord. Maar ik ben het er zo níet mee eens. Misschien reageren Fransen wat korzelig op horkerige Nederlanders, dat kan ik begrijpen. Vergeleken met de meeste Fransen zijn Nederlanders namelijk best lomp en onbeleefd. Ze spreken je hier nog aan met twee woorden, het is nooit zomaar “Bonjour”, maar “Bonjour Madame, Monsieur”. Ze wensen je altijd een fijne dag, namiddag, avond of nacht. Als je iets voor ze doet wat niet per sé gevraagd werd is het niet kortweg “bedankt” maar “Oh dat is erg aardig van u, hartelijk dank!” Het zijn altijd volzinnen. En je bent tot in lengte van dagen “U”, en nooit zo makkelijk een “Je”. Ik vind het echt opvallend.

Wat ik hier erg charmant vind is de algemene reactie op “Merci.” Dat is niet zoals elders in Frankrijk “de rien”, of “je vous en prie” (geen dank), maar “avec plaisir”. Wat dus zoiets betekent als “Graag Gedaan” maar nog “Met Plezier” ook.  

We waren een paar dagen op vakantie. Zoals ik in een ander stukje al schreef zijn onze vakanties tegenwoordig niet ver van huis. We reden twee uur naar een ander gebied: de Aubrac. Het is een vrij vlak gebied in het Centraal Massief, hoog en leeg en rauw, maar met het weer dat wij hadden was het prachtig: er lag sneeuw en de zon scheen volop. Bovendien zijn er een paar ski stations, klein, maar ook super rustig. In elk geval waren we helemaal onder de Fransen en we hebben ons best gedaan om zoveel mogelijk gesprekken aan te knopen. We zitten namelijk al enige maanden op elkaars lip zonder gasten, dus met onze taalvaardigheid schiet het niet op zo. En weer viel het ons op hoe vreselijk aardig ze allemaal waren. 

De uitbater van het restaurant, waar we als enigen een tafeltje gereserveerd bleken te hebben, had speciaal voor ons het vuur hoog opgepookt in zijn Godin kachel. Hij waarschuwde ons vooraf dat zijn betaalautomaat niet werkte. Maar we konden morgen wel even komen afrekenen als we dan nog in de buurt waren. Wat een vertrouwen. 

De wandelaars die we tegenkwamen op de besneeuwde hoogvlakte waren aan het picknicken. We hadden de honden mee en die hadden natuurlijk feilloos in de gaten dat daar iets eetbaars te halen viel. Klein voordeel is wellicht dat we twee honden hebben die ze hier niet kennen. Een Friese Stabij is zo’n typisch Nederlands ras dat er altijd wel naar gevraagd wordt. Het is makkelijk contact maken als je opvallende huisdieren hebt. Maar in dit geval vreesde ik een boze Fransman, eentje die me de les zou lezen dat we de honden beter hadden moeten opvoeden of iets dergelijks. Ik zou het nog begrijpen ook. Maar hij bleek te vragen of wij het goed vonden als hij ze een stukje kaas gaf. 

Een wandeling later kwam ons een stel langlaufers tegemoet. We hadden ergens gelezen dat je niet met honden op langlauf paden mocht wandelen, dus toen dit koppel stil moest houden omdat die twee Friese Stabijs van ons precies in hun spoor liepen was ik alweer huiverig voor een opgeheven vingertje. Maar nee hoor. Ze hielden stil om even te praten, eerst tegen de honden en toen tegen ons. We kregen een uitgebreide omschrijving van de mogelijkheden op de route. Ze verzuchtten hoe heerlijk het was met die zon en dat konden wij natuurlijk alleen maar beamen. En wederom was het “Bonne continuation monsieur-dame, bon après-midi, au revoir!”

De man die me hielp bij de ski lift deed alles “avec plaisir” én met een glimlach. De ober van het restaurant stak uitgebreid van wal over hoe graag hij naar Amsterdam ging en wat een toffe food-trucks Nederland heeft. 

Dus hoe komt het toch dat ik steeds een nare opmerking verwacht als ik door onbekenden wordt aangesproken? Is dat door de ervaringen, met de honden vooral? Is het mijn geweten? Of letten Nederlanders veel meer op elkaar, met name op wat wel en niet mag? En zijn de Fransen op het platteland van “leven en laten leven”? Is dat omdat ze meer tijd hebben? Of komt het omdat wij het nog steeds tof vinden dat de mensen hier dit mooie land met ons willen delen, en dat we de Fransen dus ook vriendelijk benaderen? Of kwam het gewoon door de zon?

Het zal waarschijnlijk een combinatie van dit alles zijn. Misschien is er een relatie tussen stress en vriendelijkheid. Of bevolkingsdichtheid en vriendelijkheid. In Parijs zijn mensen over het algemeen minder vriendelijk.  Maar dat vinden de niet-Parijse Fransen zelf ook. Hier in de Lot zijn de Fransen prima aangename medebewoners. 

 

 

Emigreren is niet eng

Emigreren is niet eng

Wij hebben ons altijd een beetje verbaasd over het feit dat veel mensen het dapper vonden dat we deze stap genomen hebben. Ik heb namelijk nooit begrepen waarom emigreren eng zou zijn. Zeker niet als je gewoon in hetzelfde continent blijft en in een dag weer naar je oude adres kunt rijden. Frankrijk is gewoon een wat groter Nederland met wat meer natuur, verder is het allemaal niet zo spannend. Vroeger, toen was emigreren spannend! 

Mijn tante trouwde met een Canadese bevrijdingssoldaat en verliet met haar verliefde kop haar vaderland terwijl ze geen idee had waar ze terecht kwam. Mijn eigen ouders verlieten met twee kleine kinderen Nederland om voor een aantal jaren op een Caribisch eiland te gaan wonen en werken. Nu was dat iets makkelijker omdat mijn vader daar een baan aangeboden kreeg, maar ze moesten er met de boot naartoe hè. Een reis van drie weken. Naar Bonaire, wat toen echt nog geen party eiland was, maar gewoon een vergeten gebiedje in een wonderschone omgeving. Mijn zussen moesten naar een schooltje waar ze Papiaments spraken. Ik was nog niet geboren dus die ervaring heeft mij niet geholpen. Maar alleen al het feit dat je alleen per post contact kon houden met je familie en vrienden, dat is toch behoorlijk afschrikwekkend. Op de terugreis, in 1967, vlogen de doperwten door de eetzaal, lag mijn moeder, zwanger van mij, voor pampus op bed, werd er een tussenstop gemaakt op Jamaica omdat er iemand ziek van boord moest worden getakeld en bij de Azoren moesten ze wederom wachten omdat er een vrouw ging bevallen (niet mijn moeder). Wat een belevenissen. Tegenwoordig kun je op een kwart slaappilletje volkomen bewusteloos de reis naar Bonaire door de lucht maken. 

Toen ik een jaar tijdens mijn studie in Spanje verbleef, in 1990, had ik nog geen mobiele telefoon. Nooit gemist ook natuurlijk want je wist niet beter. Maar het zou nu ondenkbaar zijn. Ik had met Ellis, mijn studiegenote, afgesproken dat ik op 1 september om 12.00 uur onder de klok zou staan op de Plaza Mayor. Zij zou namelijk al eerder vertrekken. Nou, en zo geschiedde. Ik schreef toen ook nog brieven, hele lange. Ik heb ze nog, gekopieerd van de vriendin waar ik ze naartoe stuurde, gebundeld en wel, want het was het mooiste aandenken dat ik kon bedenken van dat schandalig doelloze, maar fantastische jaar. Eén groot feest was het, zoiets als een examenreis maar dan negen maanden lang. Wij hadden dan weer geen examenreis gehad, maar gewoon een feestje. Er waren toen nog geen budgetreizen. 

Buiten het feit dat we hier nooit zouden kunnen wonen zonder internet omdat onze B&B nooit gevonden zou kunnen worden door potentiële gasten, is het allemaal zo eenvoudig geworden. Echt vertrekken doe je eigenlijk niet meer. We hebben op elk moment van de dag contact met iedereen ‘thuis’. En dat je zelfs al bellend iemand ook nog kan zien, iets wat we ons vroeger echt niet konden voorstellen, maakt het helemaal ongelooflijk dat er 1100 km tussen zit. 

De ‘brieven’ die we schrijven zijn in een nano seconde op de plek van geadresseerde. Hele epistels zijn niet meer nodig, korte berichtjes tussendoor zijn nog veel leuker. Met foto’s en filmpjes en al. Wat een luxe. Het krantenabonnement dat ik in Nederland had opgezegd, hebben we hier gewoon weer terug, maar dan digitaal. Nederlandse televisie is ook geen probleem, al hebben we de satellietschotel van de vorige bewoners weg gehaald. Die stond pal voor de gevel van het huis en was een doorn in het oog op elke foto. Bovendien, we waren eigenlijk wel blij om verlost te zijn van dat doelloze gezapp in de avond. Nu zoeken we iets uit op uitzending gemist of iets dergelijks en als het klaar is, is het klaar. 

De Nederlandse radiozenders hebben we hier ook regelmatig aanstaan. Sublime FM, Skyradio, je hoeft het allemaal niet meer uit de lucht te plukken. En nu we onbeperkt internet hebben via glasvezel hoeven we ook geen dataverbruik meer in de gaten te houden. Het leukst van die radiozenders is als we het weerbericht voorbij horen komen. Het is altijd teleurstellend, het wordt vaak niet vrolijker dan “af en toe zon’ en meestal is het ‘hier en daar een bui’. De filevermeldingen zijn ook een bron van leedvermaak. Hoewel wij zelf nooit dagelijks de file in hoefden is het wel tekenend voor de drukte, de stress en de sleur in Nederland.

Als je dat allemaal zo op een rijtje hebt, wat mis je dan eigenlijk als je het land verlaat? Live contact. Dat klopt, maar een borrel via FaceTime komt een heel eind in de richting hoor. En bijkomend voordeel is dat niemand meer naar huis hoeft te rijden. 

Nee, emigreren is allemaal niet zo spannend meer. Tenzij je naar de rimboe in de achterlanden van de Amazone vertrekt, of naar een afgelegen berg in Alaska, zoals Floortje ze soms voor de camera heeft, maar Frankrijk, kom op zeg, dat kan toch iedereen. 

De Bucketlist

De Bucketlist

Toen we nog in Nederland woonden had ik een bucketlist. Niet zozeer van de dingen die ik wilde doen als wel van de bestemmingen waar ik nog heen wilde. Dat varieerde van de Niagara Falls in Canada, via Vlieland naar de piramiden in Egypte. Regelmatig kon ik ook dingen afstrepen. We gingen met de kinderen op vakantie naar Bali en Zuid-Afrika, ruilden van huis met een gezin in Vancouver, ik ging met mijn vader op cruise rond Kaap Hoorn in Zuid-Amerika en met vriendinnen naar Wyoming, het Wilde Westen. Niets te klagen had ik. 

 

Sinds we in Frankrijk wonen heb ik nauwelijks reis wensen. Dat komt niet alleen door Corona. Het komt vooral doordat ik het thuis zo leuk vind. Ik moet er niet aan denken dat ik hier drie weken weg moet met een vliegtuig naar de andere kant van de wereld in een heel andere cultuur. Maar de bucketlist is wel weer keihard aan het groeien. De Niagara Falls zijn er af gevallen. Sinds ik foto’s heb gezien van de watervallen vanuit een andere hoek met allemaal hoogbouw hotels aan de rand van het natuurschoon hoef ik niet meer zo nodig. Idem met de piramides in Egypte, die liggen helemaal niet middenin de woestijn, zoals ik altijd dacht, maar pal naast Caïro. Waar de lijst nu op gebaseerd is zijn de mooie bestemmingen die we vanaf huis per auto in een paar uur kunnen bereiken. En dat is nogal wat, want eigenlijk ken ik Frankrijk helemaal niet zo goed. 

 

In mijn vroege jeugd scheurden we altijd over de Autoroute du Soleil zo snel mogelijk richting Spanje. Later wilde ik nog wel eens met vriend en tentje door Frankrijk trekken. Maar dit land is zo groot en er zijn zoveel verschillende landschappen, en laten die nu allemaal behoorlijk binnen handbereik liggen. In noordelijke richting ligt het centraal massief met een landschap van gedoofde vulkanen. Daar zijn skimogelijkheden zonder al teveel drukte in de winter. In het zuiden, op drie uurtjes rijden, liggen de Pyreneeën, de stad Toulouse en Carcassonne. In westelijke richting staat de stad Bordeaux op mijn lijstje, wat de Fransen “klein Parijs” schijnen te noemen. Het zuid-oosten lonkt met Montpellier, de Côte d’Azur en de lavendelvelden van de Provence. En iets dichterbij het natuurpark de Cevennen. De grens naar Spanje over bij Biarritz voor een bezoek aan San Sebastian, het is te doen in 5 uur. Of de andere kant op naar Barcelona, Gerona en de Costa Brava. 

 

En dan heb ik het alleen nog over bekende bestemmingen. De kleine pareltjes vind ik vooral op Instagram en van tips van onze gasten. Salle-la-Source bijvoorbeeld, op 1,5 uur rijden, een dorp in de Aveyron, waar middenin een enorme waterval naar beneden komt denderen. We waren er de laatste dag van het jaar, toen het net een paar dagen keihard geregend had, maar de zon weer tevoorschijn was gekomen en ons trakteerde op 19 graden. De ideale dag voor een bezoek aan een waterval. Collonge-la-Rouge is ook zo’n pareltje, in het noorden van de Lot. Alle huizen zijn er opgetrokken uit rode bakstenen, heel anders dan in de rest van de regio. In de buurt van Perpignan zagen we een bijzonder landschap waar erosie zijn werk deed. Rotsformaties die als orgelpijpen uit de grond staken: Les orgues d’Ille-sur-Têt. Daar in de omgeving was ook een mooie wandeling naar een klooster door een kloof: de Gorges de Galamus. Als ik wandelingen door een kloof wil maken moet ik volgens Google nog naar de Gorges du Verdon, de Gorge du Tarn, en verschillende spectaculaire mogelijkheden in de Pyreneeën. Hup, op de lijst. En van daaruit naar AirBnB. Een appartementje in het centrum van Bordeaux, een gîte aan de kust bij Saint Tropez of een ‘mazet’ in de Provence. Uren voorpret heb ik er al aan gehad. En aangezien we hier in voor- en naseizoen volkomen vrij zijn om te gaan en staan waar we willen voelt dit nog luxer dan welke verre reis dan ook. 

 

Ritje maken

Ritje maken

© Lot Tourisme – C. Novello

Het leuke van een voor- en naseizoen is dat we zelf tijd hebben om de toerist uit te hangen. Dat kan heel spontaan gaan. We kunnen wakker worden met de tekst “zullen we vandaag een ritje maken”, en nog geen uur later zitten we in de auto met een plan. 

 

Welke windrichting je ook op gaat hier, het is overal even mooi. Er is geen stress op de weg, want er is haast geen verkeer. Er zijn geen stoplichten. Het uitzicht is na elke bocht weer anders. Er steekt nog weleens een ree of een kudde schapen over. Het schiet allemaal niet op maar dat is de bedoeling natuurlijk ook niet. Het beste kun je gewoon gaan rijden en alles wat je onderweg tegenkomt gaan bekijken. Het enige gevaar daarvan is dat je steeds verder van huis af dwaalt omdat er “maar veertig kilometer verderop” weer een prachtig dorp te bezoeken is. Dat is ons een keer gebeurd, we eindigden bij Belcastel, het moet er prachtig zijn, maar na een hele dag stadjes kijken waren we murw en zijn we niet eens uitgestapt. Toen moesten we dat hele eind nog terug. Belcastel moeten we dus nog eens over doen. 

 

Inmiddels kunnen we aardig wat tips geven aan de gasten die wat van de omgeving willen zien. Op zondagochtend bijvoorbeeld kun je afdalen naar het zuiden en de markt van Saint-Antonin-Noble-Val bezoeken. Drukte alom daar  en het stadje aan de rivier de Aveyron is ook zeker de rit waard. Stap daarna weer in en vervolg de route langs de rivier oostwaarts en je komt in Varén. Daar zit een lekker restaurant in een oude molen: Le Moulin de Varén. Vervolgens kun je uitbuiken tijdens de rit naar Najac en daar alle calorieën er weer aflopen van het dorpscentrum naar het kasteel. Een bouwsel uit de riddertijd, zoals wel meer kastelen en dorpen hier, gebouwd op een hoge rots. Je begrijpt gewoon niet hoe ze het ooit voor elkaar gekregen hebben. In Najac ligt het dorp op de ene rots en het kasteel op een andere dus het is een work-out op zich om beide te voet te bezichtigen. 

 

De grote trekpleisters in de Lot regio zijn Rocamadour en Gouffre de Padirac. Het eerste is een dorp gebouwd op een rots, aan een ravijn, een beetje zoals Saint-Cirq-Lapopie, maar dat ligt hier vlakbij en daar moet je sowieso even heen. Rocamadour is zo steil gebouwd dat je zelfs met een lift van de ene straat naar de andere kan. Omdat het wel een eindje rijden is vanaf ons (1,5 uur) kun je natuurlijk het beste je dag daar vol maken met bijvoorbeeld een bezoek aan de Gouffre van Padirac. Het is een grot, maar wel de mooiste die ik ooit gezien heb. Er stroomt een rivier doorheen waar je met een bootje overheen vaart en alles is subtiel uitgelicht. De meeste grotten zijn bruin, deze is voornamelijk blauw, door al het water. Het is een toeristische happening van jewelste: ik las ergens dat het op nr. 3 staat in Frankrijk, na de Eiffeltoren en Le Mont Saint Michel. Maar het is, zeker op hete dagen, of als het regent, een heerlijke afwisseling, even onder de grond. Mocht je daarna nog niet terug willen naar Pech Blanc dan rijd je in tien minuten door naar Autoire, parkeer je de auto en maak je een wandelingetje naar de waterval. Het is allemaal prachtig. 

 

We hebben ons ook wel eens laten leiden door de sneeuw, die we in de verte zagen. Vanaf Saint Jean de Laur, hier 5 kilometer vandaan, kun je op heldere dagen de sneeuw zien liggen op de bergen in de Cantal. Het skigebied daar was gesloten vanwege de lockdown, dus we zijn er met de honden naartoe gereden. Twee en een half uur rijden. Het vergde enige voorbereiding want we konden nergens lunchen (alles dicht) en we wisten niet hoe hoog de sneeuw lag en of je er wel met gewone schoenen kon wandelen. Nou, we waren de enigen, de paar Fransen die er liepen hadden van die rackets onder hun schoenen. Een tikkie overdreven vonden wij dat, het ging zonder ook prima. We hadden een totale wintersport erlebnis. De sneeuw, de bergen, de beekjes, de dennenbomen, en dat allemaal relatief dicht bij huis. De honden gingen volledig uit hun plaat in die sneeuw en na een pittige wandeling naar een bergtop liepen we over verlaten pistes weer terug naar de auto. 

 

Kortom, er valt zoveel te zien en te doen hier dat we er een nieuwe pagina aan gewijd hebben op onze website genaamd “dagtrips”. Deze pagina is natuurlijk nooit af, want wij blijven lekker rond toeren. We moeten wel steeds verder rijden voor nieuwe bezienswaardigheden: in januari gaan we naar Aubrac en het skigebiedje van Brameloup. Met een overnachting of twee. Een verlengde dagtrip, want soms wil je gewoon nog niet zo snel naar huis. 

Van Dorp naar Stad naar Platteland

Van Dorp naar Stad naar Platteland

Het is een beetje verwarrend. We woonden tot voor kort in een dorp aan de rand van Utrecht. We hebben ervoor gekozen om in the middle of nowhere in Frankrijk te gaan wonen, met welgeteld zeven buren. Maar nu woon ik tijdelijk in de stad en ik vind het fantastisch! Ik moet terugdenken aan een vraag die een vriendinnetje me stelde toen ik een jaar of elf was: wil jij later in een stad of op een boerderij wonen? Wat nogal lastig te bepalen was want ik groeide op in Hilversum, wat noch stad noch platteland is, maar ik kon me bij beide wel iets fijns voorstellen. En dat is kennelijk altijd zo gebleven. 

We bivakkeren tegenwoordig op een etage, twee hoog. Ik hoor de hele dag verkeer, een schoolplein, en soms het stadion van FC Utrecht, maar het is gelukkig gedempt door dubbele beglazing. Met het raam open slapen is echter wel tricky want de kans is groot dat ik middenin de nacht wakker schrik van dronken studenten die het schoolplein als hangplek verkiezen. Eentje hoorde ik om vier uur ’s nachts brallen: “Wat is het hier stil hè?!”, en dat vond ik ineens aandoenlijk. Dat hij dat ondanks zijn alcoholpromillage opmerkte en dat -ie de stilte blijkbaar wel kon waarderen. Tegelijkertijd dacht ik “als jij je hoofd nou eens houdt dan kan ik doorslapen en je moest eens weten hoe stil het in Frankrijk is!”

Maar wát een voordelen heeft het ook om zo te wonen: ik kan lopend boodschappen doen, ik fiets weer, ik kan zomaar naar de film zonder gedoe met vervoer, ik kan door 187 restaurants mijn eten laten bezorgen, mijn huis is in no-time schoon, opgeruimd, doorgewaaid en weer opgewarmd, en ik kom nog eens iemand tegen. Ik hoef geen bladeren meer aan te harken en geen bomen meer te snoeien. Bovendien ben ik weer helemaal op de hoogte van het heersende modebeeld, zie ik nog eens rimpelloze knappe koppen en verbaas ik me dagelijks over de veranderingen in de stad. Twintig jaar geleden woonden we hier namelijk ook. Bijna in dezelfde wijk. Aan het eind van de straat staat het ziekenhuis waar onze jongens geboren zijn. Waar vroeger een stomerij en een vieze snackbar zaten, zie ik nu een hip koffie tentje vermomd als huiskamer, en een moderne lunchzaak waar zzp’ers in de etalage op hun laptop werken. Het is ook niet één tentje, soms wel vier in dezelfde straat. En nog vól ook, met studenten. Toen ik studeerde at ik nooit buiten de deur en koffie zette ik zelf wel. Ik loop natuurlijk jaren achter maar het valt me nu pas op hoe gewoon dat blijkbaar geworden is. Hoeveel eten er wordt aangeboden. Bij ons in de straat zitten vijf restaurants die allemaal alleen pizza’s aanbieden.

Ik vraag me af hoe het nou toch kan dat ik zo blij ben hier. Waarom hebben we gekozen voor een leven ver van alles, als ik deze plek ook zo fijn vind? Durf ik nog wel? Ga ik dit niet vreselijk missen? Wat als ik terug wil en Theo niet? Ik dacht dat ik het vreselijk zou vinden, zo’n overgangsperiode zonder werk, zonder kinderen en dan ook nog weggestopt in een stad! Ik had een winterslaap bedacht om de maanden door te komen, maar ik leef juist helemaal op!

Ik hoop dat het juist de combinatie is. Ik vind het hier heerlijk omdat ik weet dat ik over drie maanden naar die prachtplek in Frankrijk vetrek. En ik weet ook dat ik altijd weer in de stad terecht kan als we dat zouden willen. Voor eventjes. Want als ik me voorstel dat ik hier nog tien jaar zou wonen, met nauwelijks bomen om me heen, met slierten van gehaaste fietsers door de straten, met afgebakende aangeplante stukjes natuur, waar je overal de hond aangelijnd moet houden, met een overdosis aan winkels met voornamelijk overbodige artikelen, dan zou ik waarschijnlijk wat minder gelukkig zijn. 

We gaan lekker naar Frankrijk, waar we de voordeur uit stappen en honderden meters ver kunnen kijken, waar de zon vaker schijnt, waar de stilte overweldigend is, waar de honden blij de heuvel af racen ’s morgens, waar niemand er van opkijkt als je elke dag dezelfde versleten spijkerbroek aan hebt. Geen stoplichten, want weinig verkeer. Daar wil ik uiteindelijk toch vaker zijn dan hier. En dan af en toe weer de drukte opzoeken. Boerin met een lichte hang naar de stad. Dat ben ik waarschijnlijk.